Augustus 2026
Benelux
The Old Veteran
Geen Zuid-Europa, dan maar de Benelux
Het grote plan was om dit jaar met de motor richting Zuid-Europa te trekken. Zon, mooie bergwegen, terrasjes en vooral veel kilometers maken. Een prima vooruitzicht dus. Alleen had de zomer andere plannen. Door de aanhoudende hitte en de grote natuurbranden in Zuid-Europa heb ik besloten dat plan voorlopig maar even in de ijskast te zetten. Veiligheid gaat tenslotte voor, en motorrijden met veertig graden is ook niet bepaald mijn idee van ontspanning. Dan kun je net zo goed de föhn op standje maximaal zetten en ernaast gaan zitten.
Maar ja… een heel jaar niet met de motor weg en kamperen? Dat gaat natuurlijk ook weer wat ver.
Dus kwam er een oud idee bovendrijven. In mijn jeugd trok ik regelmatig met een paar vrienden op de motor door de Benelux. Geen strak uitgestippelde routes, geen ingewikkelde planning en vooral: gewoon rijden en wel zien waar je uitkomt.
Dat idee heb ik nu weer opgepakt.
Dit keer wil ik zoveel mogelijk de binnenwegen pakken. Geen haast, geen snelwegen die je zo snel mogelijk van A naar B brengen, maar lekker binnendoor. Kleine dorpjes, onbekende wegen, mooie landschappen en af en toe ergens stoppen omdat het er gewoon leuk uitziet.
Waar ik precies uitkom? Geen idee. En eigenlijk is dat precies de bedoeling.
Op de motor, de kampeerspullen achterop en voor de rest zie ik wel wat de dag brengt. Misschien eindig ik ergens in België, misschien in Luxemburg of Duitsland en wie weet waar ik uiteindelijk beland.
Het grote avontuur naar Zuid-Europa staat dus even geparkeerd. Maar gelukkig hoeft een avontuur niet altijd duizenden kilometers verderop te beginnen.
Soms begint het gewoon bij de voordeur. Rechtsaf slaan, de snelweg links laten liggen en kijken waar de weg je brengt.
En eerlijk gezegd: daar heb ik minstens zoveel zin in.
Rondje Benelux: verdwalen met beleid.
Vandaag gaat de motor weer op avontuur. Het grote plan was eigenlijk om dit jaar richting Zuid-Europa te trekken. In mijn hoofd reed ik inmiddels al ergens tussen de Spaanse en Franse Pyreneeën, met een strakblauwe hemel boven mijn helm en waarschijnlijk een veel te duur terrasje binnen handbereik.
Maar zoals dat vaker gaat met mooie plannen: de werkelijkheid had andere ideeën.
Een oogoperatie gooide eerder roet in het eten en dus werd Zuid-Europa voorlopig netjes in de koelkast gezet. En eerlijk is eerlijk: met al die bosbranden daar is het op dit moment ook niet bepaald de ideale vakantiebestemming. Ik ben tenslotte motorrijder en geen hobbybarbecue.
Dus pak ik een oude bekende van stal: “Een rondje Benelux.“
Dat deed ik vroeger al eens met een stel motorvrienden. Alleen reden we toen vooral over de grotere wegen. Lekker kilometers maken, van A naar B en vooral niet te veel tijd verliezen met dat kleine spul.
Deze keer doe ik het anders.
Geen snelweg-marathon, maar zoveel mogelijk binnendoor. Kleine weggetjes, dorpjes waar je normaal gesproken alleen komt als je verkeerd bent gereden en bochten waarvan je je afvraagt of Google Maps ze zelf wel kent. Kortom: verdwalen met beleid.
Er ligt geen strak schema klaar. Geen route die koste wat kost afgewerkt moet worden en al helemaal geen haast. Als ik vandaag ergens uitkom waar ik gisteren nog nooit van had gehoord, is dat geen probleem. Sterker nog: dan gaat het waarschijnlijk precies zoals gepland.
Mijn navigatie mag onderweg best een mening hebben. Die heeft hij trouwens nogal vaak. Maar uiteindelijk heb ik het laatste woord. Althans, dat denk ik graag.
Dus eerst de thermosfles vullen, extra water mee, een paar boterhammen smeren en controleren of alles wat mee moet ook daadwerkelijk mee is. Daarna helm op, motor starten en gaan.
Het doel?
Niet de bestemming, maar de reis.
In het zadel
De eerste kilometers zijn altijd even wennen. De motor is bepakt en bezakt alsof ik niet een paar dagen ga rondtoeren, maar definitief van plan ben om ergens anders te gaan wonen. Met zoveel bagage zou een douanebeambte bijna kunnen vragen waar mijn emigratiepapieren zijn.
Daar komt bij dat een zwaar bepakte motor zich in het begin nét even anders gedraagt. Elke bocht voelt wat spannender en ik moet weer even ontdekken wie hier eigenlijk de baas is: de motor of ik.
Gelukkig duurt dat niet lang. Na een tijdje zit ik weer helemaal in het zadel en gaat het als de brandweer. Of, laten we het netjes houden: zo hard als de maximumsnelheid het toestaat. Ik ben tenslotte onderweg voor mijn plezier en niet om mijn rijbewijs persoonlijk bij de politie af te leveren.
Het eerste deel van de route is bekend terrein. Vanaf Hattem volg ik de IJsseldijk, althans… dat is de bedoeling. In de praktijk blijkt dat iets ingewikkelder. De ene veerpont is te groot voor mijn geplande route, bij de andere lijkt de IJssel vooral te wachten op een flinke regenbui.
Na een tijdje geef ik het op. De IJssel moet dan maar op de ouderwetse manier worden overgestoken: via een brug bij Doesburg. Ook prima natuurlijk, maar eerlijk is eerlijk: een pontje heeft toch net wat meer vakantiegevoel. Even wachten, motor uit, beetje rondkijken en vervolgens dobberend naar de overkant. Een brug doet gewoon wat een brug moet doen: je aan de andere kant brengen. Efficiënt, maar weinig romantiek.
Door de omleiding beland ik ongemerkt een stukje in het ‘goedkoper-tanken-land’. En daar hoef je mij natuurlijk geen twee keer voor uit te nodigen. De tank gaat vol en met een tevreden gevoel vervolg ik mijn weg richting Venlo, om daar Nederland weer binnen te rijden.
Aan het einde van de dag begint de zoektocht naar een plek voor de nacht. Uiteindelijk kom ik vlak bij Roermond, pal aan de grens, terecht op een rustige Vekabo-camping.
En dat blijkt precies te zijn wat ik nodig heb.
Geen drukte, geen herrie en vooral geen overijverige buurman die om zeven uur ’s ochtends al besluit dat de camping dringend behoefte heeft aan het geluid van ritselende tentharingen, klapperende scheerlijnen en een enthousiast: ‘Goedemorgen buurman!’
Mijn tent staat, de motor kan uitrusten en ik kan de eerste reisdag rustig laten bezinken.
De kop is eraf.
En eerlijk gezegd: voor een eerste dag heb ik al genoeg omwegen gehad. Precies zoals het hoort.
Regen, rotondes en slechte wegen
Vannacht: regen. Regen. Héél veel regen.
Na een zwoele nacht werd ik vanmorgen wakker en één ding was meteen duidelijk: buiten was werkelijk alles nat. De tent, de motor, de grond… waarschijnlijk zelfs de vissen in de sloot. De tent moest dus nat worden ingepakt. Niet ideaal, maar ach, je kunt moeilijk wachten tot de zon hem droogt als je nog een paar honderd kilometer voor de boeg hebt. Dan zou ik hier volgende week waarschijnlijk nog staan.
Na het ontbijt ging het binnendoor richting de Belgische grens. En wat schetst mijn verbazing? Alle rotondes die Nederland blijkbaar over had, hebben ze hier in Limburg neergegooid. Maar dan ook écht allemaal. Je rijdt een rotonde af en voordat je goed en wel hebt geschakeld, zie je de volgende alweer liggen.
Ik begon me serieus af te vragen of mijn navigatie een speciale ‘rotonde-route’ had ingesteld.
Gelukkig werd het landschap steeds mooier. Via een prachtige route door wat ik inmiddels maar de Limburgse Alpen noem — oké, misschien iets minder hoog, maar op een bepakte motor mag je best een beetje fantasie gebruiken — ging het uiteindelijk richting België.
En jawel: daar waren ineens een stuk minder rotondes.
In ruil daarvoor kreeg ik iets anders cadeau: slechte wegen. Erg slechte wegen. Zo slecht dat ik af en toe twijfelde of ik nog op een openbare weg reed of per ongeluk was ingeschreven voor een lokale off-road-wedstrijd.
Ook hier had ik weer een mooie route uitgezet, met hier en daar een stevige, smalle klim over wegen die bestonden uit een interessante combinatie van half asfalt, gravel en goede bedoelingen. Maar goed, de motor en ik kwamen er zonder kleerscheuren doorheen en uiteindelijk reed ik Luxemburg binnen.
Tijd om te tanken.
Euro 98 voor €1,90 per liter. Dat is weer eens een bedrag waar je zonder een lichte hartverzakking naar kunt kijken. Met een volle tank kon de reis dus vrolijk verder. En Luxemburg verraste meteen. Strakke asfaltwegen, voldoende breed en heerlijk om te rijden. Na de Belgische wegen voelde het zelfs een beetje alsof ik van een karrenspoor rechtstreeks een racecircuit was opgereden.
Alleen die campings…
Die zijn hier duidelijk minder vriendelijk geprijsd dan de benzine. Je kunt niet alles hebben natuurlijk. Goedkoop tanken, mooie wegen én een goedkope camping zou ook wel erg veel geluk op één dag zijn. Morgen staat er een mooie toertocht door Luxemburg op het programma. Daarna? Via België richting de Noord-Franse grens.
Of iets in die richting.
Want één ding heb ik inmiddels wel geleerd: met mijn navigatie, mijn routes en mijn talent om onderweg van het plan af te wijken, weet je nooit helemaal zeker waar je uiteindelijk terechtkomt. Maar zolang de motor rijdt, de tank niet leeg is en ik niet nóg twintig rotondes achter elkaar tegenkom, komt het vast helemaal goed.
Vroeg onderweg.
De camping van vannacht was niet bepaald vijf sterren. Eerder één ster… en die hing gelukkig aan de hemel. Maar goed, de prijs was wel vijf sterren. Al werd het slaapcomfort niet bepaald geholpen door mijn medekampeerders. Die hadden blijkbaar spontaan een wedstrijd georganiseerd met als thema: “Wie maakt vannacht het meeste lawaai?”
Er was van alles te horen: stemmen, deuren, ritsen, motoren en ongetwijfeld ook mensen die om drie uur ’s nachts ineens besloten dat dit hét perfecte moment was om uitgebreid hun complete kampeeruitrusting te reorganiseren.
Het resultaat: een nogal korte nacht.
Het voordeel daarvan was dan weer dat ik vanmorgen lekker vroeg op pad kon. En dat bleek helemaal geen straf. De wegen waren heerlijk rustig en de temperatuur was nog aangenaam. Geen verkeer, geen haast en vooral: alle ruimte om lekker te rijden. Eerst ging het richting Vianden en daarna via Diekirch het Müllerthal in. En dát is motorrijden zoals het bedoeld is.
Prachtige bochten, strak asfalt en schitterende uitzichten. Het ene moment stuur je door een bocht, het volgende moment rij je door een stukje landschap waarvan je denkt: waarom ben ik hier niet eerder geweest? Een waar motorwalhalla.
Als je hier geen glimlach onder je helm krijgt, moet je misschien toch eens controleren of je vizier niet te strak staat.
Daarna ging de route richting Bastogne en verder naar de Franse grens. Onderweg reed ik voortdurend België in en Luxemburg weer uit. Het verschil tussen beide landen merk je overigens meteen. Luxemburg heeft wegen waarop je motor bijna vanzelf harder wil rijden. België heeft wegen met nogal wat achterstallig onderhoud.
Langs de Frans-Belgische grens zakte ik vervolgens verder af richting de kust. Dat gedeelte viel eerlijk gezegd een beetje tegen. Het landschap is behoorlijk heuvelachtig en sommige dorpen zien eruit alsof de economische crisis er ooit is ingetrokken en daarna heeft besloten gewoon te blijven.
Van de Ardennen naar het biljartlaken.
Het blijft eigenlijk een raadsel waarom zoveel motorrijders massaal richting Duitsland trekken als ze mooie bochten willen rijden. Natuurlijk, Duitsland heeft prachtige wegen. Maar het Franse deel van de Ardennen doet daar absoluut niet voor onder. Sterker nog: strak asfalt, schitterende wegen en… bochten. Heel veel bochten.
Zoveel bochten dat je op een gegeven moment bijna vergeten bent hoe een rechte weg eruitziet. Je stuurt links, dan rechts, weer links en nog een keer rechts. Het lijkt soms meer op een dans met de motor dan op een normale rit. En eerlijk gezegd: ik heb daar totaal geen bezwaar tegen.
Het enige wat wat minder indrukwekkend is, zijn de campings tussen de Ardennen en de kust. Of beter gezegd: het opvallende gebrek eraan.
Maar ach, op de motor is twintig of dertig kilometer extra natuurlijk geen omweg. Dat noemen we gewoon een toetje. En als je daardoor op een mooie weg terechtkomt, smaakt dat toetje helemaal niet verkeerd.
Vandaag werd het dan ook een flinke rit. Behoorlijk wat kilometers, maar absoluut de moeite waard. Langzaam veranderde het landschap. De heuvels werden wat lager, de bochten wat minder talrijk en uiteindelijk maakte het glooiende landschap plaats voor iets wat verdacht veel op een biljartlaken begon te lijken.
Zoef… en ineens was de Ardennen verdwenen.
Uiteindelijk ben ik beland op camping Aqua Oriëntal. Een naam die meteen beelden oproept van wuivende palmbomen, exotische watervallen en een cocktail met een klein parasolletje erin. De werkelijkheid is iets minder… oriëntaals.
Het is de goedkoopste camping van deze reis en dat is eerlijk gezegd ook wel te zien. De meeste gasten lijken hier maar één nacht te blijven. Aankomen, tent neerzetten, slapen en de volgende ochtend weer vertrekken alsof er ergens een hoofdprijs te winnen valt. Ik heb het idee dat sommige kampeerders hun tent nog sneller afbreken dan ik mijn motor van de zij-standaard haal.
De douche laat ik vandaag maar even voor wat hij is. Soms moet je de natuur ook een kans geven. En bovendien: na een hele dag motorrijden is een beetje extra avontuurlijke lichaamsgeur misschien wel goed voor de sociale afstand.
Ik zit inmiddels in Doornik, of Tournai, zoals ze hier met Franse trots zeggen. Morgen gaat de route verder richting de kust en daarna langzaam weer noordwaarts.
Waar ik precies uitkom? Geen idee. En eigenlijk is dat precies het mooie van deze reis. Geen strak schema, geen verplichte tussenstops en geen eindeloze lijst met plekken die ik absoluut moet zien. Gewoon de motor starten en kijken waar de weg me brengt. Want meestal zijn het juist de kilometers waarvoor je geen plan had, die uiteindelijk het beste verhaal opleveren.
Van hoop naar teleurstelling
Daar ga je dan. Na een nacht die allesbehalve rustig was. Er was veel jeugd bij het meer en die hadden blijkbaar besloten dat slapen een activiteit voor een andere dag was. Tot diep in de nacht bleef het gezellig. Voor hen dan. Om vijf uur ’s ochtends vond de lokale gemeente het blijkbaar tijd om de natuur een handje te helpen. Of beter gezegd: de hagen moesten worden geknipt. En dat doe je natuurlijk niet met een stil elektrisch apparaatje. Nee, daar heb je een motorapparaat zonder db-killer voor nodig.
Goedemorgen!
Mijn wekker had ik dus kunnen thuislaten. De gemeente had al voor me geregeld dat ik op tijd wakker was. Maar goed: mooi weer vandaag en het plan was duidelijk. Op naar de kust! Daar had ik toch wel naar uitgekeken. Lekker uitwaaien, de zee zien en misschien ergens rustig een kop koffie drinken. De eerste bestemming was Duinkerken. Daar begon de teleurstelling eigenlijk al een beetje. Niet vanwege Duinkerken zelf, maar vanwege het verkeer. Al snel belandde ik in de eerste langzaam rijdende file richting de kust. En die file bleek niet bepaald een kortstondig verschijnsel. Hij bleef eigenlijk gewoon doorgaan. Kilometer na kilometer. Tot aan Knokke.
Een blik op zee? Vergeet het maar. In plaats daarvan één eindeloze stroom auto’s, die zich tergend langzaam voortbewoog langs een minstens zo lange trambaan. Als je denkt dat het bij Zandvoort druk is, dan moet je hier vooral niet gaan lopen klagen. Hier is het pas druk. Ineens begreep ik ook waarom ik de afgelopen week in al die dorpjes in de Ardennen en Noord-Frankrijk nauwelijks een mens was tegengekomen. Ze waren hier. Allemaal.
Na Knokke ben ik via Sluis weer Nederland ingereden en zette ik koers richting Antwerpen. Het plan was om daar door de tunnel naar de andere kant van de Schelde te gaan.
Lang leve de techniek.
Mijn trouwe Tommie vond echter dat het tijd was voor een kleine koerswijziging. Op het scherm verscheen de vrolijke mededeling dat het daar allemaal behoorlijk vaststond. Dus maar weer een stukje terug. Uiteindelijk via de Westerscheldetunnel richting Zeeland. En mooi meegenomen: die is tegenwoordig tolvrij. Kijk, daar word ik dan weer wél vrolijk van. Nu nog een camping vinden. Dat bleek in Zeeland ongeveer net zo eenvoudig als een lege parkeerplek aan de boulevard vinden op een zonnige zaterdagmiddag. Vol. Voller. Volst.
Volgens mij hadden alle mensen die ik onderweg aan de kust had gemist, zich inmiddels verzameld op de Zeeuwse campings. Gelukkig wist een campinghouder mij te vertellen dat er vlakbij nog een camping was waar waarschijnlijk wel plek zou zijn. Met de toevoeging dat de gemiddelde Nederlander daar weinig eisen moet hebben. Kijk. Dan heb je mijn aandacht. En inderdaad: plek zat.
Blijkbaar is dit precies het soort camping waar de gemiddelde Nederlander liever met een grote boog omheen rijdt. Gelukkig ben ik de gemiddelde Nederlander niet. De voorzieningen zijn, laten we zeggen below basic.
Vandaag dus weer niet douchen. Morgen ga ik naar huis, dus dat moet nog wel lukken. Afwassen? Ook niet nodig. En op de wc-bril ga ik al helemaal niet zitten. Ze hadden hun best gedaan om die nog enigszins schoon te maken, maar sommige dingen moet je gewoon niet willen weten. En zo eindigt een dag vol kleine teleurstellingen.
Geen uitzicht op zee, eindeloze files, een overvolle kust en uiteindelijk een camping die je niet snel in een reisbrochure zult aantreffen. Maar ach, dat hoort er ook bij. Je kunt niet iedere dag prachtige bochten, strak asfalt, schitterende uitzichten en een luxe camping hebben. Soms moet je gewoon genoegen nemen met een plek waar je vooral blij bent dat je motor veilig staat.
Morgen de laatste etappe. Door mijn geboortestreek en daarna naar huis. En gezien het kippen, en vee verkeer dat daar tegenwoordig schijnbaar de dienst uitmaakt, vermoed ik dat ik maar heel vroeg op de motor stap. Want één ding heb ik inmiddels geleerd: Een motorrijder kan veel hebben.
De pluimveeterroristen.
De pluimveeterroristen. En geloof me, daar zijn er hier talloze van. Je zou bijna denken dat we op een camping staan, maar niets is minder waar: dit is gewoon een goed georganiseerde kippenkolonie met een nogal luidruchtige nachtploeg. Rond 22:00 uur leek het kippenvee eindelijk besloten te hebben dat het tijd was voor stil amusement. De kippen gingen op stok en ik dacht: mooi, dat wordt een rustige nacht. Nou… niet dus. Wat blijkbaar niet in het contract stond, was dat één puberkip ergens midden in de nacht besloot dat de rest van de camping ook wel toe was aan een frisse start van de dag. Rond 04:00 uur begon ze enthousiast te kakelen. En omdat één kip natuurlijk nooit alleen verantwoordelijk kan zijn voor de herrie, sloten de anderen zich al snel bij haar aan. Tot ongeveer 05:30 uur heb ik dit kippenconcert mogen aanhoren. Geen entree betaald, geen pauze, geen verzoeknummers. Gewoon anderhalf uur lang: tok tok tok, kakel kakel kakel. Op een gegeven moment vond ik het welletjes en ben ik er maar uit gegaan.
Hoofdlamp op en richting het toilet. Niet omdat ik zo’n fan ben van nachtelijke wandelingen, maar vooral omdat ik mijn nek niet wilde breken over de schroothoop die hier her en der over de camping verspreid ligt. Een extra uitdaging was het vermijden van eventuele kadavers van overleden kippen die blijkbaar ook onderdeel zijn van het campingdecor. Zo begint dus een nieuwe vakantiedag: met een hoofdlamp op je kop, half slapend naar het toilet schuifelen en ondertussen hopen dat je niet struikelt over een stuk roestig metaal of een kip die haar nachtelijke dienst niet heeft overleefd. Op weg naar huis, met een omweg door het mijn verleden. Maar goed, ieder nadeel heeft zijn voordeel. Dankzij het nachtelijke kippenconcert was ik al vroeg wakker en daardoor ook lekker op tijd klaar met inpakken. Je moet tenslotte van de nood een deugd maken. Zo kon ik in de Zeeuwse ochtendzon koers zetten richting de Zuid-Hollandse eilanden. Als eerste over de oude Zeeland-brug.
Ooit een Nederlands bouwkundig hoogstandje waar we met gepaste trots naar keken. Tegenwoordig begint de brug toch wel een beetje de uitstraling te krijgen van “ooit was ik mooi”. Net als zoveel van onze viaducten en bruggen is ook deze duidelijk toe aan een flinke onderhoudsbeurt. Maar goed, zolang hij het nog doet, rijden we er gewoon overheen en kijken we niet te kritisch naar beneden.
. In de Hoeksche Waard heb ik vervolgens een tochtje gemaakt over wegen die voor mij behoorlijk wat herinneringen oproepen. Onder andere over de Blaaksedijk, waar mijn opoe vroeger woonde. Alleen van wat ik mij herinnerde is inmiddels niet zo heel veel meer over. De oude huizen en boerderijen hebben plaatsgemaakt voor grote, keurige woningen. Blijkbaar heeft de tijd daar niet stilgestaan. In ongeveer zestig jaar kan er dus behoorlijk wat veranderen.
Dat geldt trouwens ook voor mijn geboortedorp Heerjansdam. Ik heb daar aan de voet van het Waaltje, bij mijn oude visstekje uit mijn jeugd, even een bakje koffie gedronken. Vroeger zat ik hier met een hengel te wachten op een vis die waarschijnlijk slimmer was dan ik. Ook het oude gemeentehuis, de plek waar we ooit zijn getrouwd, heb ik nog even bekeken. Helaas heeft ook dat gebouw betere tijden gekend en staat het er inmiddels behoorlijk vervallen bij.
En alsof dat nog niet genoeg is: Heerjansdam is tegenwoordig geen zelfstandige gemeente meer, maar onderdeel van de gemeente Zwijndrecht. Tja, vroeger was alles anders. Of beter? Dat laat ik maar in het midden. Maar het voelt toch een beetje alsof iemand zonder overleg een flink stuk uit je jeugd heeft weggehaald.
Vanaf Heerjansdam vervolgde ik mijn weg over de Lindsedijk, richting Zwijndrecht en Alblasserdam. Daarna een mooie route langs de Lek. Ondanks dat het zaterdag was, viel de drukte ontzettend mee. Zelfs bij Kinderdijk was het nog verrassend rustig. Geen massa’s toeristen die elkaar verdringen voor dezelfde molen en geen file van bakfietsen, camera’s en selfie-sticks. Gewoon lekker rijden en genieten. Bij Schoonhoven ben ik met het veer overgestoken. Altijd leuk, zo’n pontje. Je staat een paar minuten stil, maar het voelt toch alsof je een mini-cruise maakt. Alleen zonder buffet, kapitein en mensen die na drie minuten al vragen wanneer je aankomt.
Epiloog
Geen toeristische omwegen meer, geen “even kijken wat daar achter die dijk ligt”, maar gewoon naar huis. En zo kwam er een einde aan een mooie vakantie. Veel mooie wegen gereden, prachtige plekken gezien en vooral genoten van het onderweg zijn. Alleen dat stukje door Vlaanderen, dat had ik achteraf misschien wel over kunnen slaan. Maar ja, als je er nog nooit geweest bent, weet je natuurlijk ook niet hoe het is. En dat is misschien wel de mooiste reden om toch te gaan: je kunt altijd achteraf zeggen dat je het beter had kunnen overslaan. Maar uiteindelijk geldt: mooie vakantie, mooie herinneringen en genoeg verhalen om thuis nog een tijdje over te vertellen. En dat is tenslotte ook een beetje waar vakantie voor bedoeld is.























